Een fellow vertelt over haar turbulente jeugd

Ik kom uit een vijfpersoons gezin (ma, pa, halfzus, zusje en ik). Na een jaar of 6 gingen ze scheiden. Mijn moeder, zusje en ik verhuisden met alle dieren naar een klein huisje in de buurt. Mijn oudere halfzus ging weer terug naar haar eigen vader.
Ik wist niet wat er allemaal aan de hand was of gebeurde en mistte mijn papa en grote zus. Na een paar maanden daar gewoond te hebben gingen we met z’n drieën naar een vriend van mijn moeder. Daar had ik een lekker rustig stabiel leventje. Na drie jaar zijn we weer gaan verhuizen. Mijn stiefvader was amper in beeld, want hij werkte veel en had ik niet echt een band opgebouwd met hem.
Mijn draai op de nieuwe basisschool kon ik niet vinden. Mensen vonden mij raar om mijn accent en ik hun vond hun ook raar. Ze sloten me buiten en ik vond ze allemaal maar eng. In groep zes werd het erger: ik werd gepest, geslagen, uitgescholden, buitengesloten etc. Terugvechten deed ik altijd, verbaal en non-verbaal. Ik beschermde mijn zusje veel, die het ook niet makkelijk had. Ik heb dit altijd verborgen gehouden voor mijn ouders. Tot een dag dat ik weigerde naar school te gaan.

Mn zusje en ik gingen voor anderhalf jaar naar een andere school waar we wel een fijne tijd hebben gehad. Helaas ging die school failliet en moest sluiten. We moesten weer terug naar de “haat-school”, om daar groep acht af te maken. Ik was bang en heb me helemaal in mezelf gekeerd en praatte met niemand.
“Je bent niet zo goed in leren” zei mijn leraar altijd. Fijn dank u en ik wou zo graag naar de havo… Op de middelbare school werd ik met mijn “stoere” gedrag al gauw het baasje van de klas. Zolang niemand maar dichtbij kon komen. Mijn vader kreeg een ernstig motorongeluk toen ik in de tweede zat en lag weken op de IC. Hem zien liggen als een dunne, gewonde man in een ziekenhuis kon ik niet aanzien. Hij was altijd mijn sterke, stoere rots in de branding geweest, mijn veilige zone. Nu was hij dat niet meer en moest ik hem verzorgen. Ik trok dat niet en stootte hem weg.
In de derde/vierde begon wat ik noem “mijn geschifte gedrag”.  Doordat ik al die tijd obsessief bezig was met goede cijfers halen, at en sliep weinig, maar sportte wel veel, duwde ik mezelf naar een afgrond. Ik ging spijbelen, ruzie op school maken, slechte cijfers, opsluiten op wc’s, emotionele breakdowns, veel agressie, verder met mensen afstoten en me vervolgens nog eenzamer voelen. Er kwamen suïcidale gedachten. Ik uitte mijn frustraties af met het kleineren van mijn zusje. Op school werd het opgemerkt en in overleg hebben ze besloten mij “ziek te melden”. De rest van het vierde schooljaar heb ik thuis op de boerderij gezeten. Ik knapte op en mijn halfzus kwam weer bij ons wonen. Ik begon te bonden met mijn moeder en zus. Mn zusje waar ik ooit nog alles samen mee deed, zag ik nauwelijks meer. Mijn “geschifte gedrag” sloeg om naar afhankelijkheid van mijn moeder en zus. Ik deed niks zonder hun en mijn onzekerheid leidde mijn leven.
Er werd hulp gezocht voor mijn zusje en zo kwamen we in contact met Yes We Can Clinics. Zij ging eerst, ik precies 10 weken later.
In de kliniek heb ik geleerd dat ik wel degelijk dingen kan, dingen goed kan zelfs. Kajakken bijvoorbeeld. Dat ik mooi ben zoals ik ben. Dat ik niet bang hoef te zijn voor alles en iedereen. Ik heb geleerd dat ik mijn eigen gevoelens kan controleren door:  Niet te isoleren, maar uitspreken, positief denken, lachen en actief blijven.
Nu is alles veranderd, in de goeie zin. Ik heb mijzelf en mijn grip in het leven weer teruggevonden…